Toelichting luchtdichtheid

De qv;10-waarde bij stap 2 wordt overgenomen uit de CSV file, oftewel de invoer in de NPR 5129. U kunt deze waarde aanpassen met inachtneming van onderstaande regels en adviezen.

In NEN 5128 is vastgelegd dat, afhankelijk van het gekozen ventilatiesysteem, de qv;10-waarde niet lager mag zijn dan:

  • 1,0 dm³/s per m² bij natuurlijke toevoer - mechanische afvoer
  • 0,4 dm³/s per m² bij mechanische toe- en afvoer (gebalanceerde ventilatie)

Indien onder stap 4 wordt gekozen voor een ventilatiesysteem volgens NEN 5128 (en dus niet op basis van gelijkwaardigheid) dienen bovenstaande waarden in acht genomen te worden.

Bij toepassing van (ventilatiesystemen met) zelfregelende roosters vervalt de ondergrens uit NEN 5128. Op de gelijkwaardigheidsverklaring staat tussen welke minimale en maximale qv;10-waarden de verklaring geldig is. Uniec toetst of uw project voldoet aan de qv;10-waarden op de gelijkwaardigheidsverklaring.

De meeste ventilatiefabrikanten adviseren momenteel op basis van gelijkwaardigheid een luchtdichtheid van 0,625 dm³/s per m². Deze lage infiltratiewaarde wordt echter niet zonder meer gerealiseerd. Hiervoor is bijzondere aandacht nodig voor de detaillering van uw project in zowel de ontwerp- als uitvoeringsfase. Een luchtdichtheid van 0,625 dm³/s per m² komt overeen met luchtdichtheidsklasse goed (klasse 2) uit SBR publicatie 360 "Luchtdicht bouwen". Om deze klasse te realiseren worden de volgende maatregelen voorgeschreven:

  • in alle details dienen één of meer luchtdichtingen te worden aangegeven; de correcte plaats van de luchtdichting is per aansluiting verschillend, goede voorbeelden zijn de SBR-referentiedetails
  • de uitgangspunten voor de plaats van de luchtdichtingen zijn:
    • geef de luchtdichting in een aanslag aan
    • geef de luchtdichting in één vlak aan
    • geef de luchtdichting zover mogelijk naar binnen aan (binnenzijde isolatievlak)
  • benoem in de details de materialen waarmee de luchtdichting wordt gerealiseerd; houdt daarbij rekening met de maximaal toelaatbare vervorming (MTV)
  • goed knevelende 2- en 3-puntssluitingen
  • manchetten ter plaatse van de dak- en geveldoorvoeren
  • nastelbaar hang- en sluitwerk
  • waar mogelijk luchtdichtingen prefabriceren
Op de bouwplaats zijn verder nodig:
  • specifieke instructies met betrekking tot het aanbrengen van afdichtingen voor de bouwplaatsmedewerkers
  • (extra) kwaliteitscontrole op de bouwplaats
  • gerichte controle (met een opblaastest) kort voor de oplevering van de eerste woningen